juli 2020

D-Day_Malieveld.JPG
D-Day 2020
Resultaat_4_juli_2020.jpg
Resultaat 4 juli 2020


Pensioenakkoord? Check. Nu begint het echte werk

Financieel Dagbld, 16-07-2020                                                     Martine Wolzak


Niet eerder stond het 'beste pensioenstelsel ter wereld' voor zo'n grote verbouwingsoperatie. Uiterlijk 2026 moet de transformatie klaar zijn: naar een stelsel gebaseerd op premies, niet op uitkeringen. Op verwachtingen in plaats van beloftes. Drie pensioenfondsbestuurders over wat de fondsen en hun deelnemers te wachten staat.


Peter Borgdorff, Zorg en Welzijn: eerlijker over onzekerheid

De grote winst van het nieuwe pensioenstelsel is dat het eerlijker is over de onzekerheid, zegt directeur Peter Borgdorff van pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW). 'Nu beloven we zekerheid die we niet waarmaken. Straks is het: we gaan ons stinkende best voor u doen.'

De Tweede Kamer moet de wetgeving nog behandelen. Maar fondsen gaan nu al in de slag, om op tijd klaar te zijn. De grote verbouwing begint met de keuze voor een van de twee nieuwe bindende pensioencontracten, allebei premieregelingen. In allebei bewegen pensioenen meer mee met de economie, omlaag als het tegenzit, omhoog als het meezit. En dat is winst, vindt Borgdorff.

Daarna moet een nieuwe pensioenregeling worden gemaakt en compensatie worden geboden voor het afschaffen van de doorsneesystematiek (het gat dat valt in de pensioenopbouw van oudere werknemers bij de overgang naar het nieuwe stelsel). En tot slot moeten de administratiesystemen worden aangepast.

Het administratiesysteem van PFZW bij pensioenuitvoerder PGGM is volgens Borgdorff up-to-date, maar voor het huidige pensioencontract. 'Het systeem dat wij nodig hebben voor het nieuwe pensioen, ligt niet op de plank. Dat gaan we waarschijnlijk zelf bouwen. Wij zijn inmiddels bezig met een tijdpad, maar de voorlopige conclusie is dat wij niet voor 1 januari 2026 kunnen overstappen.'

Dat betekent dat PFZW nog lang moet overbruggen in het huidige stelsel. En met een dekkingsgraad van onder de 90% dreigen dan verlagingen van de pensioenen van de aangesloten verpleegkundigen en artsen. Voor volgend jaar geeft minister Wouter Koolmees van Sociale Zaken opnieuw uitstel, zolang de dekkingsgraad eind dit jaar maar boven de 90% staat.

Eind 2025 is er dan de transitie zelf. 'Wij willen de oude inleg en nieuwe premie bij elkaar houden. Alleen dan profiteren alle deelnemers van de voordelen van het nieuwe pensioen. Dat betekent dat wij de oude rechten moeten invaren in het nieuwe contract', zegt Borgdorff. 'Maar als je dat bij de huidige lage rente doet, dan gaat er heel veel vermogen naar jongeren en veel minder naar gepensioneerden. Wij gaan wel kijken of dat evenwichtig uitpakt, anders willen wij daarvoor kunnen corrigeren.'

Borgdorff waarschuwt dat het voor pensioenfondsen niet makkelijk wordt om deelnemers uit te leggen waarom de techniek van het nieuwe pensioencontract beter is dan het huidige stelsel. 'De makkelijkste boodschap is dat premieverhogingen en pensioenverlagingen minder nodig zijn en we pensioenen sneller kunnen verhogen', zegt hij. 'Mensen hoeven dan niet precies te begrijpen hoe het werkt, als ze maar vertrouwen hebben in de uitkomst. Maar we weten dat veel deelnemers pensioenfondsen nu niet vertrouwen.'

Tarik Uçar, Schoonmaak: laveren over een hobbelige weg

Het pensioenfonds Schoonmaak schreef vorig jaar een alarmerende brief aan minister Koolmees. Het stelde hardop de vraag of het nog zinvol was door te gaan met pensioenopbouw voor de werknemers van schoonmaak- en glazenwassersbedrijven. Door de lage rente dreigden een premieverhoging én een grote korting van circa 20% op de pensioenen. ‘Wij vragen ons ten zeerste af of we de werkenden in de schoonmaak daarmee helpen’, aldus de brief.

'Met deze regels is het voor ons niet meer te doen', zegt bestuurder Tarik Uçar ook nu nog. Hij is dan ook blij dat er nu een akkoord ligt, en denkt dat het nieuwe contract beter bij zijn pensioenfonds past. Het nieuwe stelsel kent geen rekenrente, geen dekkingsgraden en ook geen automatische premiestijgingen meer. Maar de weg ernaartoe is nog wel een hobbelige, waarschuwt hij. Het bestuur heeft nog niet besproken wanneer het fonds over zou kunnen naar het nieuwe stelsel. En de problemen waar het fonds vorig jaar mee worstelde, zijn nog niet opgelost.

Vorig jaar ontsnapte het fonds eraan, maar met een dekkingsgraad van ongeveer 84% dreigen in 2021 alsnog kortingen. De premie en opbouw zijn dit jaar stabiel gebleven dankzij de inzet van een premiedepot. Maar dat is nu leeg. Voor volgend jaar zou opnieuw een stijging van de premie naar meer dan 30% (tegen 20% nu) nodig zijn voor een pensioen van circa €100 bruto gemiddeld per maand. Het waarschijnlijkere alternatief is dat de opbouw daalt, waardoor een deelnemer voor hetzelfde geld een te bereiken pensioen van €65 krijgt, in plaats van €100.

'Koolmees vraagt in het pensioenakkoord om de premies en opbouw komend jaar stabiel te houden, maar dat is niet realistisch', zegt Uçar. 'Als je daar als bestuur gehoor aangeeft, neem je jezelf echt niet serieus.' Want als Schoonmaak de premie niet verhoogt, gaat dat ten koste van de toch al lage dekkingsgraad. 'Ik kan niet verantwoorden dat door een te lage premie de korting bij gepensioneerden nog groter wordt. Die €100 per maand die onze gepensioneerden krijgen, kan voor hen net het verschil maken.'

Sociale partners in de schoonmaak, werkgevers en werknemers, moeten nu gaan beslissen: willen zij pensioen blijven opbouwen? En zo ja, in welk pensioencontract? Hoe hoog moet dat pensioen dan worden en tegen welke premie? En wie gaat de compensatie betalen? 'Ik had het liefst gezien dat het kabinet dit had voorgefinancierd', zegt Uçar. 'Het regelen van de transitie naar het nieuwe contract, de compensatie en de communicatie hierover, dat is heel lastig.'

Deelnemers moeten er maar vertrouwen in hebben dat dit eerlijk gebeurt. 'Bij onze deelnemers is dat allemaal heel moeilijk uit te leggen. Veel beheersen het Nederlands slecht. Wat ik oprecht hoop is dat wij in het nieuwe stelsel zo mogen communiceren dat het bij onze deelnemers ook daadwerkelijk aankomt en we niet vastzitten aan wettelijke formats. Bijvoorbeeld een goedweer-, slechtweer- en basisscenario voor het verwachte pensioen? Dat gaan onze deelnemers echt niet begrijpen. Ik kan wel overbrengen dat pensioen onzeker is.'


Henk van der Kolk, Detailhandel: we kunnen niet wachten

Het pensioenfonds en de sociale partners in de detailhandel lopen zich al een tijdje warm voor de pensioenvernieuwing. Maar, zo waarschuwt voorzitter Henk van der Kolk, 'als de overgangsperiode niet goed wordt geregeld, dan lukt die hele stelselherziening niet'.

Dit jaar nog maken sociale partners in de detailhandel een serieus begin met de keuze tussen de twee pensioencontracten in het nieuwe pensioenstelsel. Het zogeheten Nieuw Contract, persoonlijk maar met collectieve solidariteitsbuffer, of het meer individuele contract uit de wet verbeterde premieregeling.

Het liefst willen zij direct op 1 januari 2022, de beoogde ingangsdatum van de nieuwe pensioenwetgeving, overstappen op een nieuw pensioencontract. In eerste instantie alleen met de nieuwe inleg, de premie die na die datum binnenkomt. Het omzetten van de al opgebouwde rechten naar het nieuwe pensioen gaat waarschijnlijk langer duren. Daarmee loopt het fonds voor op veel anderen.

Detailhandel is een pensioenfonds met veel jonge deelnemers, zo verklaart Van der Kolk de urgentie. Vaak werken zij vijf tot tien jaar in de sector en gaan daarna ergens anders aan de slag. Onder het huidige contract is 'het gevaar levensgroot' dat zij hun pensioen niet mee mogen nemen, dat mag alleen bij dekkingsgraden boven de 100%. 'Wij willen dat zij dat wel kunnen doen.'

Een andere reden: door de grote rol van de rekenrente en de dekkingsgraden in het huidige contract is indexatie van de pensioenen ook bij Detailhandel niet zeker. 'Dat treft werknemers en gepensioneerden', zegt van der Kolk. 'Met het nieuwe pensioencontract denken we sneller te kunnen indexeren.' De angst voor kortingen speelt bij Detailhandel niet zo'n grote rol, dankzij de relatief hoge dekkingsgraad van ruim 104% eind juni.

Om in 2022 over te kunnen, moet komend jaar de keus zijn gemaakt tussen de twee pensioencontracten. Een externe partij zal de twee de komende maanden vergelijken. En is er duidelijkheid nodig over de compensatie voor afschaffing van de doorsneesystematiek. 'Kunnen wij dit binnen het pensioenfonds opvangen? Of moeten we een beroep doen op werkgevers en werknemers om bij te dragen?', zegt Van der Kolk. 'Of toch op de overheid?' Net als bij PFZW is over het invaren het laatste woord nog niet gezegd.

Maar het meeste zorgen maakt hij zich over volgend jaar. Dan dreigt ook bij Detailhandel een forse premieverhoging. 'Onze premie zou met 20% moeten stijgen. Dat is illusoir', zegt Van der Kolk. 'Onze branche had het al zwaar en daar is de coronacrisis nog eens overheen gekomen.' Het enige alternatief is een lagere opbouw, maar dan krijgen werknemers minder pensioen. 'We kunnen niet anders, tenzij de minister de regels verder versoepelt', zegt Van der Kolk.



5 reacties

Geachte heren Borgdorff, Uçar en Van der Kolk en andere bestuurders van pensioenfondsen

Zoals het u ongetwijfeld bekend is, is de EU-pensioenwetgeving, vastgelegd in de richtlijn IORP II, van hogere orde dan de pensioenwetgeving van de individuele lidstaten.

Dit zo zijnde, doet u er beter aan uw administratieve systemen – voor zover noodzakelijk – in te richten op de in voornoemde richtlijnen vermelde verplichtingen.

Dat betekent onder meer dat uw fondsen moeten voldoen aan:

• Overweging 29: Ter bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden is vereist dat IBPV's hun activiteiten beperken tot de activiteiten die in deze richtlijn worden genoemd en de daaruit resulterende werkzaamheden.

• Overweging 32: IBPV's zijn pensioeninstellingen met een sociaal doel die financiële diensten aanbieden. Deze instellingen mogen echter niet als louter financiële instellingen worden behandeld. Hun sociale functie en de driehoeksverhouding tussen de werknemers, de werkgevers en de IBPV moeten naar behoren worden onderkend en ondersteund als leidende beginselen van deze richtlijn.

• Overweging 40: Een prudente berekening van de technische voorzieningen is van wezenlijk belang om ervoor te zorgen dat zowel op korte als op lange termijn aan de pensioenverplichtingen kan worden voldaan. De technische voorzieningen moeten derhalve worden berekend op basis van erkende actuariële methoden en door een actuaris of door een andere deskundige op dat gebied worden gewaarmerkt.

• Overweging 45: IBPV's zijn beleggers op zeer lange termijn. De door deze IBPV's aangehouden activa mogen in de regel niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan ter verstrekking van pensioenuitkeringen. Bovendien moeten IBPV's, om de rechten van deelnemers en pensioengerechtigden afdoende te beschermen, kunnen kiezen voor een allocatie van activa die strookt met de specifieke aard en de looptijd van hun verplichtingen. Daarom is efficiënt toezicht vereist, alsook een benadering van de beleggingsregels die IBPV's voldoende flexibiliteit biedt om het veiligste en doelmatigste beleggingsbeleid te kiezen en hen verplicht prudent te handelen. Naleving van de „prudent person”-regel vereist derhalve een beleggingsbeleid dat is toegespitst op de deelnemersstructuur van de afzonderlijke IBPV.

WORD VERVOLGD


12:18 Dhr. Bollema

VERVOLG

• Overweging 81: Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage I,deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen.

• Art. 64 lid 1: De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 13 januari 2019 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie onverwijld in kennis van de tekst van deze bepalingen.

• Art. 13 lid 4a en b:

a) het minimumbedrag van de technische voorzieningen wordt berekend aan de hand van een voldoende prudente actuariële waardering, rekening houdend met alle verplichtingen inzake uitkeringen en inzake bijdragen, overeenkomstig de door de IBPV uitgevoerde pensioenregeling. Het moet voldoende zijn om te waarborgen dat de uitbetaling van reeds verschuldigde pensioenen en uitkeringen aan de pensioengerechtigden kan worden voortgezet, en om de verplichtingen te weerspiegelen die voortvloeien uit de opgebouwde pensioenrechten van de deelnemers. De economische en actuariële hypothesen die voor de waardering van de passiva zijn gehanteerd, moeten eveneens op prudente wijze worden bepaald, waarbij een redelijke marge voor negatieve afwijkingen in acht moet worden

genomen, indien van toepassing;

b) de toegepaste maximale rentepercentages moeten op prudente wijze worden bepaald, volgens alle toepasselijke voorschriften van de lidstaat van herkomst. Bij de bepaling van die prudente rentepercentages wordt rekening

gehouden met:

i) het rendement van de overeenkomstige activa die door de IBPV worden beheerd en met de verwachte beleggingsopbrengsten;

ii) de marktrendementen van kwalitatief hoogwaardige obligaties, staatsobligaties, obligaties van het Europees Stabiliteitsmechanisme, obligaties van de Europese Investeringsbank (EIB) of obligaties van de Europese faciliteit voor financiële stabiliteit, of

iii) een combinatie van i) en ii);


12:20 Dhr. Bollema

Marktwaardering is een onbekend begrip in de EU-richtlijn. Het toezicht van DNB, dat gebaseerd is op marktwaardering van de technische voorzieningen en de RTS (risicovrije marktrente), is derhalve strijdig met deze richtlijn en dus verboden.

Kortom: voer de EU-richtlijn uit en heb maling aan het toezicht van DNB. U kunt per direct de pensioenopbouw van de deelnemers en de ingegane pensioenen gaan indexeren; in veel gevallen met terugwerkende kracht.

De Pensioenwet deugt niet – want in strijd met de EU-richtlijn – en de uitwerking van het pensioenakkoord gaat zelfs nog stappen verder in de strijdigheid met de EU-richtlijn.


12:20 Dhr. Bollema

EN DAN NOG DIT:

Het toezicht van DNB op pensioenfondsen is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:

• De nominale pens0ioenaanspraken zijn gegarandeerd,

• Pensioenfondsverplichtingen worden op marktwaarde gewaardeerd.

DNB heeft deze uitgangspunten nader uiteengezet in de notitie uit 2004 ‘De consequenties van fair value bij pensioenfondsen’, met als ondertitel: een analyse met het DNB pensioenmodel PALMNET.

“Onder marktwaardering, of fair value, van pensioenfondsverplichtingen verstaan we de methode van waarderen waarbij de waarde gebaseerd wordt op verhandelbare claims die dezelfde uitbetaling geven als de aangegane verplichtingen. Voor de pensioensector is inmiddels in het hoofdlijnenakkoord en nieuwe FTK expliciet gekozen voor een bepaling van verplichtingen op basis vanmarktwaarde, waarbij de nadruk wordt gelegd op gegarandeerde (nominale) rechten.”

De PALMNET-notitie is verwerkt door toenmalig minister Arend Jan de Geus in zijn wetsvoorstel voor de Pensioenwet (PW). In art. 126 lid 3 van de PW wordt verwezen naar het FTK/nFTK: “ Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze van berekening van het minimum bedrag van de technische voorzieningen, de daarbij in acht te nemen voorzichtigheidsmarges en kunnen regels worden gesteld over de frequentie waarmee de technische voorzieningen worden berekend.”

Echter:

1. Fondsen kunnen de nominale verplichtingen niet garanderen

Verzekeraars hebben geen wettelijke mogelijkheid om pensioenaanspraken en -rechten te korten, terwijl pensioenfondsen die mogelijkheid ingevolge artikel 134 van de PW wel hebben. Aldus De Hoge Raad. Die heeft met het arrest ECLI:NL:HR:2019:2035 van 20 december 2019 het cassatieberoep van PMT tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag ECLI:NL:GHDHA:2018:958 van 8 mei 2018 verworpen.


14:12 Dhr. Bollema

VERVOLG

2. Berekening van deze zgn. gegarandeerde nominale verplichtingen op marktwaardering

In beide EU Pensioenrichtlijnen wordt deze berekeningsmethodiek op marktwaardering niet genoemd en is daarmee dus niet toegestaan. Deze methodiek is ook niet logisch, omdat in de EU geen gereguleerde markt bestaat, waarop fondsen hun verplichtingen geheel of gedeeltelijk kunnen verhandelen. Bovendien mogen fondsen als schuldenaren hun verplichtingen niet verhandelen, zonder toestemming van de schuldeisers/crediteuren. Verder geldt dat de schuldeisers/ crediteuren, zijnde de deelnemers en pensioengerechtigden, hun pensioen-aanspraken dan wel –rechten ook niet mogen verhandelen.

CONCLUSIE: Zowel de PW als het toezicht van DNB is gebasserd op drijfzand, want strijdig met de EU-pensioenwetgeving in richtlijn IORP II

Wat weerhoudt de bestuurders van pensioenfondsen om zich te houden aan de - hogere - wetgeving van de EU? waarom lappen zij het toezicht van DNB niet aan hun laars? Angst voor aftoetsing door DNB als bestuurder van een financiële instelling? M.i. waagt DNB zich niet aan z'n procedure omdat ze dan aan het kortste - juridische - eind trekt.